Geschiedenis

De ‘Jantje’ kwam op 17 April 1930 als viskotter in de vaart.

Het was het eerste stalen schip van een Texelse visser, die in 1917 met zijn gezin naar Den Helder verhuisde. In 1930 liet hij de latere Jantje bij een werf in Monnickendam bouwen. Tot dan had hij alleen nog met houten (zeil)botters gevist. Het schip werd “De Twee Gebroeders” gedoopt, naar de twee zonen van de schipper. Het had bij de bouw al ongeveer dezelfde afmetingen als de huidige Jantje (16,45m bij 5,90m); en ook masten, al waren die veel lager dan de huidige. Met de bordentrawl visten vader, zoon en een knecht op schol, tong en kabeljauw. Men had in die tijd nog niet veel vertrouwen in de dieselmotor, en er kon met de kotter nog gezeild worden. Na acht jaar vissen werd in 1938 de ABC motor van 75/90 PK vervangen door een Industrie Dieselmotor van 120 PK (4 takt 3 cilinder), en werd het zeiltuig verwijderd.

Oorlogsjaren

In Februari 1940 komt “De Twee Gebroeders” in anderhalf meter dik kruiend pakijs terecht, waardoor ter hoogte van Callantsoog de schroef breekt en het schip stuurloos meegevoerd dreigt te worden de mijnenvelden in. Een sleepboot uit Nieuwendiep brengt het schip weer naar Den Helder.

Tijdens de Engelse bombardementen van Den Helder in Juni 1940 wordt “De Twee Gebroeders”  in de binnenwateren van Wieringen in veiligheid gebracht. Een krap jaar later, op 13 Februari 1941 neemt de Duitse Wehrmacht het schip alsnog in beslag. In de oorlogsjaren daarna heeft het schip vermoedelijk tot de “Rheinflotille” behoord, en werd het ingezet ter bescherming van de Zeeuwse Kust van Domburg tot Oostende.

Zodra de oorlog voorbij is, gaat de oudste zoon via de Afsluitdijk te voet naar Duitsland, op zoek naar zijn schip. Volgens de overgeleverde verhalen vindt hij het schip in Emden terug, met gaten in de romp en een mitrailleur op het dek. Op 10 November 1945 begint de renovatie op een werf in Haarlem. De gaten in het casco worden dicht geklonken, en het schip krijgt uit de Rijkswerf van Den Helder twee masten toegewezen; afkomstig van een Duitse logger. Op 18 Mei 1946 is het schip weer klaar voor de visserij en krijgt de nieuwe naam “Ennie en Appie”.

Naoorlogse jaren van de Jantje

Tot 1952 behoort de kotter tot de Helderse visserijvloot. In de winter vist het op haring, met een net tussen twee kotters in, de zogeheten spanvisserij. Daarna krijgt het verschillende eigenaren, uit Urk, Katwijk en IJmuiden. De IJM17 haalt de kranten wanneer het op 21 Maart 1971 bij Zandvoort op de kust vastloopt, nadat de motor afslaat in een poging om een ander gestrand schip los te trekken.

In 1976 koopt Harry Müter het schip. Hij heeft het al jaren op het oog en wil het tot zeilschip ombouwen. Na jaren van klussen, maakt de zeilschoenerbrik Jantje in 1986 haar eerste dagtochten; om een jaar later voor het eerst naar de Kanaaleilanden te zeilen.

Jaar

Naam

Eigenaar

1930 -1947

HD 25 Twee Gebroeders

R.N. Bakker, Den Helder

1947-1952

HD 25 Ennie en Appie

J. Bakker, Den Helder

1952-1956

UK 105 Elly Marie

K. Ras, Urk

1956-1960

KW 61 ‘Gijsbertha’

P. Varkevisser, Katwijk

1960-1965

KW 61 ‘Ludi’

Fa. Van Duijvenvoorde

1965-1973

YM 17 Jeanette

C. Drijver & J.G. de Vries, IJmuiden

1973-1977

WR 110 Carla Marijke

H.B. Westerwal & P.J. v Dijk, Den Oever

1977

Uitgeschreven uit visserij register

 

1977-2005

Verbouwing tot schoenerbrik

Harry en Marian Müter, IJmuiden

2005

Jantje

Erik Kuiper & Marten Munstra

 

Met dank aan Jan van Beelen van het Katwijks museum; en Frits Aalderink en de familie Bakker uit Den Helder voor het beschikbaar stellen van bronnenmateriaal.

Nationaal Archief, Den Haag; Afdeling Vaartuigen Duitslandschade. Verklaring voor herstel van schade en kosten ten gevolge van oorlogsgeweld, dd. 14-10-1955.

Kosters, J.M (1989), “Jantje, van kabeljauwvisser naar zeilschoener”.

    Reageren is niet mogelijk